zondag 2 februari 2014

Innovatie, in sociaal domein wat is er voor nodig?


 
Enkele weken geleden schreef ik in een blog dat er vele soorten van innovatie zijn en dat innovatie eigenlijk een containerbegrip is. Behalve dat bij innovatie dus gekeken moet worden naar wat er onder wordt verstaan, is het belangrijk om na te denken wat randvoorwaarden zijn om het tot stand te laten komen. Onderstaand enkele tips:

Van boven af
De drang naar innovatie moet vanaf het hoogste niveau in een organisatie worden gestimuleerd. Als de directie er geen ruimte voor biedt of het wel zegt, maar er niet naar handelt en er geen prioriteit aan geeft, dan komt er weinig vernieuwing tot stand.

Externe inspiratie
Zorg voor prikkels van buitenaf. Veel frisse ideeën en out-of-the-box gedachten komen niet van binnenuit. Voorkom te veel navelstaren en ga op zoek naar allianties, co-producties en partners buiten de eigen organisatie. Dit moet bewust worden georganiseerd en worden opgezocht.

Bedrijfsvoering first
Zorg dat de bedrijfsvoering op orde is. Het effect van iets nieuws moet meetbaar zijn en daarvoor moet de bedrijfsvoering  goed in elkaar zitten. Het moet mogelijk zijn om nul-metingen te doen en om kostprijzen te bepalen. Dit klinkt eenvoudig maar kan zeer complex zijn. Grote bedrijven als Philips of de bierbrouwer InBev beheersen dit tot in de finesses en in het sociaal domein kan hier het nodige van geleerd worden.
 
Meer mensen dan technologie
Waar bij innovatie vaak vooral aan slimme technologische oplossingen wordt gedacht, valt de meeste winst vaak te halen bij de mensen zelf en de wijze waarop zij werken. Juist de “zachte factoren” dienen veel aandacht te krijgen, zo blijkt ook uit een onderzoek van Panteia voor o.a. Abn-Amro. Veel medewerkers weten precies waar iets klemt of wat er beter kan. Organiseer de ruimte om die ideeën boven water te krijgen en om er iets mee te doen. Een ideeënbus, een jaarlijkse prijs voor de beste procesverbetering, het regelmatig evalueren van bestaande werkwijzen, uren beschikbaar om innovaties uit te werken, etc.
 
Borging
 
In de welzijnssector is de afgelopen decennia veel geld verspild middels allerlei pilots en innovatieve projecten, op basis van incidenteel geld (zie ook onderzoek: Het rendement van zalmgedrag). Als vervolgens het project klaar was, waren er geen structurele middelen om de uitkomsten te borgen in een nieuwe werkwijze. Alles bleef bij het oude en een tijdje later werd hetzelfde wiel op een andere plaats weer opnieuw uitgevonden. Bedenk dus op voorhand hoe een proeftuin of pilot vervolg kan krijgen, anders heeft het geen zin om ermee te starten.

zaterdag 11 januari 2014

Wordt innovatie het woord van 2014?

Innovatie, innovatie en innovatie dat is de mantra in het sociale domein. Het behoeft geen uitleg dat er veel moet veranderen op het gebied van welzijn, dat er met minder geld meer moet worden gedaan in de zorg en dat woningcorporaties de tering naar de nering moeten zetten. De oplossing voor dit alles is innovatie, maar dat begint wel een erg breed containerbegrip te worden, waar op veel manieren uitleg aan gegeven kan worden.
Het doen van een uitvinding waarbij iets heel nieuws ontstaat zoals ooit het wiel, de gloeilamp of het internet is een vorm van innovatie. Het combineren van bestaande dingen tot iets nieuws, bijvoorbeeld het integreren van een telefoon en een camera is een andere vorm. Wat ook kan is om iets bestaands te verbeteren, bijvoorbeeld een computer die sneller is of meer geheugen heeft. Weer een andere manier van innovatie kan zijn om bij een bestaand product andere toepassingen te zoeken, bijvoorbeeld een keukentrapje dat ook als kruk kan worden gebruikt. Innoveren kan voorts door voor een bestaand product andere doelgroepen te vinden (een scootmobiel voor parkeerwachters) of door een productieproces te verbeteren, waardoor het product wel hetzelfde blijft, maar de kosten lager worden. Ongetwijfeld kan deze lijst worden uitgebreid.

Wanneer twee mensen een gesprek voeren over innovatie of wanneer de directie zegt dat er meer geïnnoveerd moet worden, is het van belang te weten welke vorm men dan voor ogen heeft. Als je in huis iets moet zoeken, helpt het als je weet in welke kamer je moet kijken. De uiteenlopende vormen van innovatie komen vaak op verschillende manieren tot stand en er zijn andere randvoorwaarden en expertises voor vereist. Even bij elkaar zitten en iets nieuws bedenken is vaak niet de manier waarop de meest geniale vondsten worden gedaan. Er is een goede voorbereiding nodig en er zijn op meerdere terreinen acties nodig om innovatie te faciliteren. Inspirerend om in 2014 mee aan de slag te gaan!

zaterdag 31 augustus 2013

Het verschil tussen Microsoft en de zorgsector?

Deze week werd bekend dat Steve Ballmer voortijdig vertrekt als topman van Microsoft. Hoewel de man een indrukwekkende staat van dienst heeft, is hij niet de geschikte persoon om het bedrijf te leiden in de fase waarin het nu zit. Microsoft verliest veel marktaandeel aan onder meer Google. Het bedrijf heeft het zwaar en de omstandigheden zijn drastisch gewijzigd ten opzichte van hoe het was in het afgelopen decennium.
Dat de topman van zo’n groot concern een stapje opzij doet is niet vreemd. In het bedrijfsleven gebeurt het vaak dat het leiderschap wordt aangepast aan de situatie waarin het bedrijf zich bevindt. Zo werd Jan Timmer aangesteld om bij Philips de Operatie Centurion uit te voeren en werd Ad Scheepbouwer binnengehaald om KPN uit het slop te halen. Zij beiden werden op hun beurt weer vervangen zodra andere leiderschapscompetenties dan de hunne meer gewenst waren.
Hoe gaat dit in de zorgsector? Decennialang heeft de sector (enkele incidenten daargelaten) zich in een tamelijk rustig vaarwater bevonden. Er moest op de winkel gepast worden. Een groot deel van de huidige leidinggevenden floreerde onder die omstandigheden. Zij waren boven komen drijven omdat zij in die situatie de besten waren. Inmiddels verkeert de sector echter in een zeer turbulente tijd. Door de decentralisaties (inclusief scheiding wonen/zorg) en de daarmee gepaard gaande bezuinigingen moet het roer radicaal om. Creativiteit en ondernemerschap zijn vereist, maar ook veel gevoel voor bedrijfsvoering, aangezien er scherp aan de wind gevaren moet gaan worden.
Bij welke zorginstelling worden deze competenties nu op volle kracht in stelling gebracht? Er zijn er een paar waar ik het zie gebeuren. Echter, bij veel instellingen leiden nieuwe omstandigheden niet tot nieuw leiderschap. Wat je dan ziet gebeuren is eigenlijk dat er niets gebeurt. Afwachtend en defensief gedrag. Klagen over procedures en focussen op wat allemaal niet kan in plaats van wat wel kan. Een beetje zoals een konijn dat verstijfd van angst in de koplampen kijkt en weldra zal worden overreden.
Het is een observatie en wat mij betreft voelt het wat ongemakkelijk. Toch denk ik dat elke zorginstelling zich juist nu moet afvragen of er een verschil is tussen Microsoft en de zorgsector.


woensdag 7 augustus 2013

Decentralisatie jeugdzorg: zorgcontinuïteit + lage frictiekosten = risico gemeentebegroting!

In het kader van de decentralisatie van de jeugdzorg worden gemeenten geacht om zorgcontinuïteit te bieden. Dit houdt in dat kinderen die op 1 januari 2015 in zorg zijn, gedurende 2015 het recht op die zorg behouden. Op zich is dat een fijne maatregel, voor de kinderen die het betreft, maar uiteraard zit er een kostenplaatje aan. Als je gaat transformeren en gaat werken volgens een nieuwe werkwijze, zou een deel van deze kinderen namelijk niet meer voor (dezelfde) zorg in aanmerking komen.
Naast de zorgcontinuïteit stellen veel gemeenten alles in het werk om frictiekosten bij instellingen te voorkomen en om niet al te grote veranderingen in één keer te willen doorvoeren.  Deze maatregelen zijn begrijpelijk. Uiteraard is er de gemeenten het nodige aan gelegen om niet al te veel over hoop te halen en om een goede relatie met aanbieders te bewaren. Het nadeel hiervan is echter dat er mogelijk te weinig wordt afgebouwd en te weinig getransformeerd. Als bewust de inzet slechts beperkt wordt teruggebracht om frictiekosten te voorkomen, heb je die kosten misschien niet, maar blijft het zorgvolume te hoog waardoor je op die manier meer uitgeeft dan kan.
Daarnaast is er het risico dat er te weinig wordt getransformeerd. Aanbieders van dure specialistische zorg moeten dat afbouwen. Om te voorkomen dat er frictiekosten ontstaan, wordt er dan bij dezelfde aanbieders extra zorg van een lichter en/of ander kaliber ingekocht. Echter vanuit een transformatiegedachte, zou het wellicht beter zijn om bij een hele andere partij in te kopen die bijvoorbeeld veel meer doet op het gebied van preventie. Zo iets gebeurt dan niet omdat de oorspronkelijke aanbieder een deel van zijn omzet moet behouden. Er is dan dus een sub-optimale situatie.
Recentelijk is uit een brief van de staatssecretaris aan de Algemene Rekenkamer gebleken welke bedragen VWS in 2015 denkt te korten op de gemeenten. Daaruit blijkt dat er geen sprake meer is van de oorspronkelijk 4% oplopend naar 15% in 2017. Gemeenten moeten rekening houden met percentages die wel eens fors hoger zouden kunnen liggen.
Het gemeentebestuur dat op weg naar verkiezingen nog even rustig aan wil doen of dat de warme relatie met zijn bestaande zorgaanbieders nog even in stand wil houden, kan dat uiteraard doen. Wel is het dan zaak om nu al meteen te bedenken welke zwembaden er straks gesloten gaan worden om het gat in de begroting te dichten dat vermoedelijk gaat ontstaan.

woensdag 26 juni 2013

Woningcorporaties moeten failliet kunnen…!

Als een woningcorporatie financieel in de problemen komt is er een garantiestructuur om de corporatie overeind te houden. Deze structuur houdt in dat in het geval van financiële problemen, andere corporaties bijspringen (via het WSW). Als dat onvoldoende helpt, bieden de gemeenten en het Rijk gezamenlijk een achtervang. In de Vestia-affaire speelde dit en hebben de corporaties collectief fors bijgedragen aan het oplossen van het debacle.
Naar mijn mening is het niet goed om via een dergelijke garantiestructuur slecht presterende organisaties de hand boven het hoofd te houden. Er gaan te veel verkeerde prikkels van uit. Het stimuleert om grote risico’s te nemen (derivaten of boot). Het straft de brave leerlingen (zowel andere corporaties als gemeenten) die moeten opdraaien voor het onverantwoord gedrag van sommige slechte leerlingen. Het risico bestaat voorts dat er onvoldoende “schoon schip” gemaakt kan worden nadat iets is misgegaan, omdat veelal met de bestaande mensen en de bestaande organisatie zal worden verder gegaan.
Natuurlijk begrijp ik, dat de regeling vooral ook de bescherming van huurders beoogt. Wat gebeurt er als je huurder bent bij een failliete corporatie? Word je dan op staande voet op straat gezet? Volgens mij niet. De woningen behouden een bepaalde waarde en er zullen altijd weer andere investeerders (en wellicht ook corporaties) zijn die tegen de dan geldende marktwaarde zullen willen instappen. De woningen leeg maken, betekent het stilleggen van een kasstroom die juist in een dergelijke situatie hard nodig is. Wel kan het er toe leiden dat na verloop van tijd een deel van de woningvoorraad een andere bestemming krijgt, maar dat is dan niet terstond en bovendien kan dat nodig zijn als een bepaald complex een negatief rendement heeft.
Vanuit macro-economisch perspectief wordt de sector op deze manier efficiënter, waardoor er in principe zelfs meer middelen overblijven om bewust in te zetten voor een maatschappelijke doelstelling. In de uitvoering zou er gekeken moeten worden dat er voor de huurder geen al te scherpe randjes aanzitten. Voor de huurders als geheel is een efficiëntere sector alleen maar gunstig.

Inmiddels weten we dat ziekenhuizen ook failliet kunnen gaan en niet door de sector of de overheid kunstmatig overeind worden gehouden. Waarom kan dit niet ook bij woningcorporaties? Beter is het uiteraard als het niet gebeurt, maar het zal de sector gezonder maken als de tucht van de markt hier wat meer zou worden toegelaten.   

woensdag 13 februari 2013

Aanpak salarissen corporatiesector populisme of realisme?

In de brief van minister Blok aan de Tweede Kamer over het akkoord op de woningmarkt, staat dat corporaties geacht worden de verhuurdersheffing en hun investeringen te betalen uit onder meer verlaging van salarissen in de corporatiesector. Ik vraag mij af waarom dat er staat. Het lijkt erop dat het vooral een reactie is op de exorbitante topsalarissen van enkele corporatiedirecteuren in de sector. Als dat zo is, dan dient zich de vraag aan of er maatregelen gaan volgen die specifiek gericht zijn op het innen van een extra heffing bij die corporaties waar de desbetreffende zonnekoningen werkzaam zijn. Vooralsnog lees ik daar niets over. Als de berekeningen die ten grondslag liggen aan het akkoord een generiek karakter hebben, waarbij alle corporaties over een kam worden geschoren, dan zou dat bedenkelijk zijn. In feite komt het er dan op neer dat corporaties met passende salarissen veel minder investeringsruimte hebben dan corporaties met topsalarissen. Aanvullend beleid met een differentiatie op corporatieniveau is dus nodig om de regeling reëel te laten zijn. Zo niet dan is het een populistische opmerking in het akkoord met een averechts effect voor de goede corporaties in de sector.

donderdag 24 januari 2013

Eed van Hippocrates is drogreden van artsen GGZ in discussie over besparing

Gisteren is een advies uitgelekt van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) over hoe in de toekomst goedkoper gewerkt kan worden in de geestelijke gezondheidszorg. Een belangrijk uitgangspunt daarbij zou dan moeten zijn dat verzekeraars het behandelen van vastgestelde ziektes nog wel vergoeden, maar het behandelen van klachten (zonder dat een ziekte is vastgesteld) niet. De aanleiding hiervoor is de ernstig uit de hand lopende zorgkosten.
In het journaal werd hierop vanuit de sector gereageerd door een GGZ-arts. Hij gaf daarbij aan dat deze maatregel onuitvoerbaar zou zijn omdat artsen dan in strijd zouden moeten handelen met hun beroepseed. Voorts zou dat er dan toe leiden dat bewust andere diagnoses gesteld zouden worden om zo wel in aanmerking te komen voor een vergoeding.
Het beroepen op de eed is volgens mij een drogreden. De eed schrijft voor dat patiënten zo goed mogelijk behandeld moeten worden, maar niet dat dat op voorwaarde is van een financiële vergoeding. Ik pleit er hier niet voor dat artsen maar gratis moeten gaan werken, echter het verschuilen achter die eed is niet correct. Vervolgens zou het bewust vaststellen van een andere diagnose (het opstarten van een andere DBC) overigens wel in strijd zijn met de eed. Er wordt dan namelijk gesjoemeld met de geneeskunst en je kunt moeilijk stellen dat die op die manier juist wordt uitgeoefend.
Al met al is het natuurlijk een ingewikkelde kwestie. De kosten rijzen de pan uit en daar moet iets aan worden gedaan. Naar mijn mening dienen de artsen te opereren binnen de spelregels zoals die worden vastgesteld door degene die gaat over het geld.
De bekostiging via DBC’s kent veel nadelen als het gaat om sturen op kostenbeheersing. Idealiter zouden naar mijn mening artsen zelf een budget moeten krijgen waar ze binnen moeten blijven. Als hun streven dan is om op grond van hun eed zo goed mogelijke hulp te verlenen, dan zouden ze op basis van dat uitgangspunt wellicht ook kunnen kijken wie het meest urgent de intensiefste hulp nodig heeft en welke de lichtere gevallen zijn waar minder inzet voor mogelijk is. Op die manier wordt de verantwoordelijkheid voor de kosten dichter gelegd bij degene die gaat over het maken van de kosten. Dat zou volgens mij vooruitgang zijn, maar wel een grote verandering voor de dokter. Bijzonder lastig, maar meer zorg leveren dan er geld is, kan evenmin een oplossing zijn.

zaterdag 29 december 2012

Er valt het nodige te besparen in de zorg, ik heb het zelf gezien

Vier weken geleden ben ik voor de tweede keer vader geworden. Een onvergetelijk moment! Gedurende de afgelopen periode hebben wij op diverse manieren te maken gehad met vormen van zorg: thuiszorg, kraamzorg, ziekenhuis, verloskundigen, apotheek, etc. Onze algemene indruk is dat wij voortreffelijk zijn geholpen en dat de kwaliteit van de geleverde zorg bijzonder hoog was. Wij zijn zeer tevreden. Tegelijkertijd is me opgevallen, dat er weinig kostenbewustzijn was bij de zorgverleners.
Enkele weken voor de bevalling moest ik “bedsteunen” ophalen bij de thuiszorgwinkel. Deze steunen kosten een paar euro per week. De vriendelijke mevrouw die mij hielp, raadde mij aan om meteen ook een bedsteun en een badplank mee te nemen. “Het is gratis, want de verzekering betaalt.” en zo ging ik met een pakket ter waarde van 12,65 Euro per week de deur uit. Wanneer ik het terug moest brengen? “Ziet u maar wat u uitkomt meneer, tot ziens.”.  Stel dat iedere kraamverzorgster haar eigen setje bedsteunen meeneemt naar haar klanten en dat voor aanvullende producten een eigen bijdrage geldt, die verhoogt wordt als de producten langer dan een bepaalde periode worden afgenomen. Dan valt er het nodige te besparen!
Omdat mijn vrouw enkele dagen na de uitgerekende datum nog niet was bevallen, kregen wij het aanbod van het ziekenhuis dat zij ingeleid zou worden om zo de bevalling op gang te brengen. Medisch was er geen noodzaak toe. Na het nog een aantal dagen aan te hebben gezien, zijn wij op het aanbod ingegaan. Als een dergelijk aanbod niet zou worden gedaan en er pas wordt ingeleid zodra er een medische noodzaak is, zal dat kosten uitsparen, omdat een aantal bevallingen alsnog spontaan zal gebeuren. Het is erg comfortabel dat het zo kan, maar als er een eigen bijdrage gevraagd zou worden bij het voortijdig inleiden zonder medische noodzaak, dan valt er het nodige te besparen!
Terwijl wij er waren, vond er in het ziekenhuis een verbouwing plaats op de kraamafdeling. Er komt voor elke moeder een aparte kamer, zodat ze niet meer met vier op één zaal hoeven te liggen. De reden is, dat er kraamhotels zijn waar dat al zo is. Het ziekenhuis moet daarin mee om de concurrentie aan te kunnen, zo werd mij verteld. Mooi deze kwaliteitsverbetering. Als er echter vanuit zou worden gegaan dat de standaard een vier-persoonszaal is, en dat luxere varianten daarop mogelijk zijn, mits de meerkosten door de patiënt worden vergoed, dan valt er het nodige te besparen!
 Na de bevalling kregen we kraamzorg. Omdat mijn vrouw een buitenlandse nationaliteit heeft, raadde het kraamzorgbureau ons aan om aan te geven dat ze de Nederlandse taal niet goed spreekt. Vrouwen die niet goed Nederlands kunnen, hebben recht op vijf uur extra kraamzorg. Wij hebben hier geen gebruik van gemaakt, want mijn vrouw is ingeburgerd en spreekt prima Nederlands. Toch vind ik het een erg rare regeling. Waarom moeten mensen die wel de moeite hebben genomen om de taal goed te leren, extra premie betalen om extra zorg te bekostigen voor mensen die niet de moeite hebben genomen om de taal goed te leren? Bizar! Aanvullende zorg voor mensen die de taal niet goed spreken, moet door die mensen zelf betaald worden, dan valt er het nodige te besparen!
Er valt het nodige te besparen in de zorg. Uiteraard is mijn ervaring mogelijk niet representatief voor de hele zorg. Bovendien wil ik nogmaals benadrukken dat wij erg blij zijn met wat ons is geboden. Tegelijkertijd, kan ik mij echt niet aan de indruk onttrekken, dat het een stuk goedkoper kan, zonder dat dat meteen tot onmenselijke taferelen hoeft te leiden. Wat meer kostenbewustzijn bij de zorgverleners, zou al een hele stap kunnen betekenen!

dinsdag 30 oktober 2012

Toekomst deelgemeenten is kiezen tussen twee kwaden


Hoe moet het verder met de deelgemeenten? Een vraag die zo oud lijkt te zijn als de weg naar Kralingen. De discussie stopt nooit, sluimert altijd door en gemiddeld eens per half jaar laait hij op. De laatste keer echter leek een doodsteek dan toch nabij. Het kabinet had op, naar mijn mening zeer vage gronden, het besluit genomen dat het klaar moest zijn. De Tweede Kamer steunde het voorstel en ook in de Eerste Kamer lijkt er een ruime meederheid voor te zijn. Jammer, dat wel. Deelgemeenten kunnen een goede bijdrage leveren aan ons lokaal bestuur, mits ze goed worden uitgerust en iedereen zich aan de decentralisatiespelregels houdt (gemeente en deelgemeenten blijven weg uit elkaars beleidsterreinen). Maar goed, beter afschaffen dan half in stand houden en beter duidelijkheid dan een eeuwige discussie, de duidelijkheid was nu verschaft!
Helaas… Amsterdam en Rotterdam leggen zich niet bij het besluit neer en gaan toch weer op zoek naar een alternatief. Volgens mij is dat het ergste scenario dat kon gebeuren. Met een goed mandaat in stand houden, zou kunnen en afschaffen zou kunnen, maar geen tussenvorm. Tussenvormen zijn in dit geval gedrochten. Ze tonen grote democratische mankementen, scheppen een schijnwerkelijkheid voor burgers, stimuleren niet dat ambitieuze goede mensen deelnemen in de structuur, zijn inhoudelijk een wassen neus omdat ze geen bevoegdheden hebben en leveren nauwelijks besparing op, omdat surrogaat vrijwel hetzelfde kost als echt.
In Rotterdam zijn er nu twee modellen bedacht waar uit gekozen zou kunnen worden. Een model met gebiedsbestuur en een model met wijkparticipatie. Beide zijn extreme vormen van exotisch bestuurskundig hobbyisme, die in de praktijk op veel praktische bezwaren stuiten.
Bij het gebiedsbestuur kiezen Rotterdammers 100 personen die een plan moeten gaan maken voor de deelgemeentegebieden. Zij zijn op persoonlijke titel gekozen en zijn dus aan niemand verantwoording verschuldigd gedurende de vier jaar na de verkiezingen. Als ze er een potje van maken, kan niemand ze wegsturen. Daarnaast is het al erg de vraag wat voor soort mensen zich kandidaat gaan stellen en hoe zij tot een soort van coalitie moeten komen om een plan te maken. Ook als zij een plan maken dat haaks staat op de visie van het gemeentebestuur is onduidelijk wat er dan moet gebeuren. Kortom, een vreemd experiment, waarvan het ook nog eens de vraag is, welk probleem er mee wordt opgelost en wie hier blij van zou moeten worden, behoudens de 100 winnaars van de beauty-contest.
Bij de wijkparticipatie, krijgen we een soort districtenstelsel, met één gekozen vertegenwoordiger per wijk. Een systeem van “the winner takes it all”. In Rotterdam zijn twee partijen veruit het grootst, en zij zullen dus de 55 wijkraadszetels onderling verdelen, al is het het meest waarschijnlijk dat de grootste van deze twee vrijwel alle 55 zetels in de wacht zal slepen. Vervolgens wordt de wijkvertegenwoordiger een soort wijkkoning die eveneens geen verantwoording meer hoeft af te leggen aan een volksvertegenwoordiging, met alle risico’s op cliëntilisme en dergelijke van dien, zoals Rotterdam dat kende vanuit de stadsvernieuwing en waarvan de laatste uitwassen nog steeds niet zijn uitgewist.
Er zijn nog veel meer redenen te bedenken waarom de beide Rotterdamse alternatieven hopeloos zijn. Ik laat het hier nu even bij. Afschaffen betekent afschaffen (hoe jammer misschien ook), maar laten we dat dan nu wel doen!